17 november 2009

Hiatus

duh

21 september 2009

Liever live


Garage Fest (Stilettos record release show) @ dB's, Utrecht 18-09

Het Meppelse tweetal Modern Suicidals opent de avond in de rookruimte. Al snel wordt duidelijk dat de heren geen standaard rockband zijn. Er staan wel een drumstel en gitaarversterkers op het podium, maar die zijn van de volgende band. Modern Suicidals maakt gebruik van vooraf opgenomen en live wordt er dus voornamelijk op start en stop gedrukt en van tijd tot tijd een schuif open en dicht gezet. Bij wijlen is de muziek best leuk. Een verbaasd rockpubliek krijgt industriële new wave voorgeschoteld die van tijd tot tijd aan Ann Clark doet denken. Helaas is de zang ondermaats. Alle effecten in de wereld verbergen geen vals gekrijs en gemompel. Neem daar dan nog eens het ontbreken van enige actie van de band bij en je bent al gauw blij dat de twintig minuten durende set erop zit.

Snel door naar de zaal dan maar waar Bobby Kingsize staat te wachten. Niet zo lang geleden presenteerde deze Utrechtse rock 'n roll band zelf hun nieuwe plaat in dB’s, dus ze weten wel hoe een leuke record release show hoort te zijn. Bobby Kingsize speelt thuis en dat is te merken. De band heeft een vaste fanschare en dat is niet onterecht. Telkens weer schotelen de heren een kwaliteitsset voor die niet ontgoocheld. Helaas is de kwaliteit van Bobby Kingsize ook hun zwakte. De band speelt zo geölied en strak. Ze zijn niet op fouten te betrappen. Net daarom is een Bobby Kingsize show ook niet meer dan een pot degelijke rock 'n roll. Ook nu weer weten de Utrechtse mannen niet te verrassen. Liefhebbers van rock 'n roll a la carte worden op hun wenken bediend, dat wel, maar voor spanning en verbazing moet je niet bij Bobby Kingsize zijn.

Gelukkig zorgt het Amerikaanse Candy Snatchers daar wel voor. Het wordt al sne
l duidelijk dat veel mensen speciaal voor deze band naar dB’s zijn afgezakt. Zodra Candy Snatchers het gaspedaal indrukt, gaan de vuisten – al dan niet met een fles bier erin – de lucht in en wordt er
driftig meegezongen. We krijgen alles te horen wat garage rock zo
goed maakt. Geen franjes, geen gedoe. De recht toe recht aan
punkrock die geserveerd wordt bevalt duidelijk goed. Dertig minuten lang raast er een wervelwind door
de rooktruimte die pas ophoudt wanneer zanger Larry May beslist dat het genoeg geweest is en al naar de bar loopt om bier te gaan halen terwijl de band het laatste nummer nog uitspeelt. Dat garage een breed begrip is blijkt weer bij de vo
lgende band.

Pirate Love uit Noorwegen speelt psychedelische punk. Het lijkt wel alsof The C
ount 5 in een 10-jaar lange trip is blijven hangen en zo de eerste punkgolf van Television en Flipper nog heeft meegekregen. Met het recept is op zich niets mis. Pirate Love heeft leuke nummers en zeker wanneer het tempo opgedreven wordt, is het resultaat meer dan te pruimen. Het pijnpunt is echter de houding van de band. Nu mogen dit soort bands gerust theatraal zijn en dat Scandinaven een meer dan gezonde zin voor overdrijving hebben mag ook geen verbazing wekken, maar de ongeïnteresseerde nonchalance waarmee de heren op het podium staan stoot blijkbaar veel mensen tegen de borst, waardoor de grote zaal al gauw behoorlijk leeg loopt. Gemiste kans voor de hippiepunks uit Oslo om dB’s te overtuigen.

Met El Zombie krijgen we weer een Utrechtse band te zien en dat valt te zien aan een stampvolle rookruimte die het drietal aan het werk wil zien. De overstuurse blues van El
Zombie blijft kort en krachtig. De nummers zijn kort, de gitaar
en drums loeihard en de slidegitaar zorgt voor een zweverige sfeer. Helaas zit er weinig tempo in de set, waardoor de spanning die in de nummers zit te vaak weg zakt en dat is jammer, want verder valt de muziek van El Zombie heel goed te pruimen, hoe ongebruikelijk het ook klinkt.

Dan is het eindelijk tijd voor The Stilettos om hun nieuwe plaat te presenteren. Ondanks het late uur zit dB’s goed vol met trouwe fans. Stilettos schiet onmiddellijk uit de startblokken, snel en furieus, zoals het hoort. Na twee nummers worden
gastmuzikanten het podium op geroepen. Het is altijd leuk op een record release show om jongens die op de plaat gespeeld hebben mee te laten spelen. Het is mogelijk immers de enige keer dat het gebeurd, maar even dreigt hierdoor de intensiteit van het begin verloren te gaan. Gelukkig wordt de draad snel weer opgepikt en knallen The Stilettos weer als vanouds door. Het wordt snel duidelijk waarom de band door de jaren heen een goede livereputatie heeft opgebouwd. Armand kronkelt en springt; Henk Jan ragt op zijn gitaar alsof zijn leven ervan afhangt en Barry ramt keihard door op zijn kit. Garage valt of staat bij de kracht die een band weet over te brengen en dit hebben The Stilettos goed begrepen. Veertig minuten lang knalt de band door dB’s heen en het verdict is duidelijk... met een nieuwe plaat zijn de heren klaar om in andere zalen net hetzelfde te doen!

William Elliot Whitmore @ Amstelkerk, Amsterdam - 16-09
Ik heb een engel horen zingen... een licht dronken engel met een stem van de duivel, maar een engel desalnietemin. De engel zong de gospel van de natuur, van leven en dood in het huis van God (wat een PRACHTlocatie trouwens) en de heer zag, door de ogen van amper een 100-tal toeschouwers, dat het goed was. De troubadour uit Iowa is duidelijk in zijn element van meet af aan lijkt Whitmore wel dronken van geluk (iets waar de fles whiskey op het podium mogelijk wel voor tussen zit) en dat valt te merken. Tussen de nummers door grapt de zanger constant en zit hij te lollen met het publiek. Het is wel knap hoe Whitmore bij elk nummer er dan toch weer in slaagt het publiek muisstil krijgt zodat zijn ruwe strot kan galmen door de kerk. Hier, in deze prachtige setting, is Whitmore duidelijk op zijn best. Nog geen half jaar geleden speelde hij ook in Amsterdam, toen in een stampvolle Paradiso als voorprogramma van Alane Diane. Ook die set was goed, maar Whitmore was genoodzaakt in een half uurtje zo veel mogelijk te spelen. Dat obstakel speelde nu niet mee. Anderhalf uur lang haalde Whitmore alles uit de kast, slechts 4 nummers bijgestaan door een drummer. Hij genoot zichtbaar en het publiek, constant verzoeknummers roepend, genoot mee. God keek mee in zijn huis en zag dat het goed was.

31 juli 2009

2/4

Ik ben er een maand te laat mee, maar hier is dan eindelijk het platenovericht van het het tweede kwartaal. Het kan aan mij liggen, maar de afgelopen maanden is er weinig uitgebracht waar ik warm voor loop. Ik ben niet verder gekomen dan 2 platen en nog eens 3 die ik nog niet gehoord heb... Gelukkig zijn de vooruitzichten voor de rest van het jaar goed!


Dinosaur Jr. - Farm
Sinds de release van Beyond 2 jaar geleden moet ik vaststellen dat ik de release van nieuw Dinosaur Jr. werk met veel ongeduld afwacht. Nu is het werk van Mascis en de zijnen altijd al heel goed geweest; Beyond verraste iedereen en deed de verwachtingen voor tours en een eventuele opvolger dermate stijgen. Om maar meteen met de deur in huis te vallen... Farm haalt het niveau van Beyond niet. Als simpele graadmeter neem ik alleen maar het aantal draaibeurten die ik beide platen gaf en dan is Beyond overduidelijk de meerdere van deze nieuwe plaat. Farm stelde me wat teleur, maar enkel omdat ik Beyond nog veel beter vind. Het is gewoon weer een typische Dinosaur Jr. plaat met het niveau dat je van Masis, Barlow en Murph mag verwachten.

Mos Def - The Ecstatic
Mos Def heeft sinds zijn fantastische Black Star (uit 1998 met Talib Kweli) en Black on Both Sides (uit 1999) albums in 21 films gespeeld en 2 platen uitgebracht. Het is dus wel duidelijk waar de prioriteiten van de voormalige MC van Boogie Down Productions liggen... Mos was ten tijde van BDP een grootheid. Zijn eerste 2 soloplaten onderlijnden dit, maar na 1999 ging het muzikaal bergaf. The New Danger en True Magic ontgoochelden veelal. Gelukkig lijkt Mos een decenium na het iconische Black on Both Sides album het licht weer gezien te hebben. Op The Ecsatic horen we weer de Mos Def waar we in de jaren 90 wild van werden.Vooral opener Supermagic is een fantastisch nummer... de eclectische mix van de psychedelische gitaarloop en oosterse geluiden werkt betoverend. Op The Ecstatic horen we voor het eerst in tijden een veelzijdige en scherpe Mos Def. Hopelijk kunnen we terug meer werk van dit niveau verwachten.

Nog niet kunnen beluisteren:
- Monotonix - Where Were You When It happened?
- The Woggles - Tempo Tantrum
- Bob Mould - Life and Times

Om naar uit te kijken:
Q-Tip - Kamaal The Abstract
Box Elders - Alice & Friends
Reigning Sounds - Love and Curses
The Roots - How I Got Over
Erykah Badu - New AmErikah part two
Vivian Girls - Everything Goes Wrong
The Reactionaries - s/t
The Responders debuut

24 juli 2009

Props...

Tekenen bij Motown is niet niets. Als Nederlander tekenen bij Motown al helemaal niet. Het niveauverschil tussen Amerikaanse en Britse talentenjachten en dat van Nederland of België was tot nu toe hemelsbreed, maar nu bekend is geworden dat ex-finalist Waylon een contract heeft getekend bij Motown, kan Nederland eindelijk zeggen dat ze ook een echte ster is wording voort gebracht heeft. Het is eens iets anders dan het één of ander populair meisje (wiens talent ik niet in twijfel wil trekken) waarvan je na een jaar niks meer hoort.

Waylons eerste single Wicked Way komt 7 augustus uit. Ik ben benieuwd!

22 juli 2009

Weer een paper...

Ik begin het stilaan ook wat vervelend te vinden dat ik de laatste tijd bijna niks anders meer post dan essays die ik voor school moest schrijven. De papers zijn het probleem niet hoor... ik ben tevreden over wat ik geschreven heb en deel het graag, maar het komt er gewoon niet van andere dingen te schrijven. Ik ben bezig met het platenoverzicht van het tweede kwartaal. Dat kan je dus wel verwachten. Ik heb ook nog interviewplannen (The Reactionaries en The Responders) en hoop binnenkort eindelijk nog eens wat optredens (Strange Boys, Parliament (ben ik na al m'n gelul over funk eigenlijk wel verplicht...), Earthless, Dinosaur Jr., William Elliot Whitmore, ...) mee te kunnen pikken! Tot dan moeten we het maar stellen met een volgende paper. Dit stuk schreef ik voor de cursus Amerikaanse geschiedenis en cultuur na 1900 en moest antwoord geven op de vraag waarom de situatie van Afro-Amerikanen pas na de tweede wereldoorlog drastisch verbeterde. Voorlopig is dit het laatste essay wat ik zal posten... Het is immers vakantie. ;-)

Je bent zwart en je wilt wat

“De Oorlog is cruciaal van de toekomst van de neger en het probleem van de neger is cruciaal in de Oorlog. Een herdefiniëring van de status van de neger in Amerika staat op til als gevolg van deze Oorlog. Sinds de Reconstructie is er nooit meer reden geweest om een fundamentele verandering in de Amerikaanse rassenrelaties, welke een vooruitgang naar Amerikaanse idealen zal bevatten, te anticiperen” (Frederickson, 129) . Met het einde van Wereldoorlog II in zicht, legde de Zweedse politicus Gunnar Myrdal in zijn werk An American Dilemma de vinger al op de zere plek. Aan het front bleek voor meer gevochten te worden dan enkel de vrijheid van soevereine Europese staten. Afro-Amerikanen boden zich massaal aan bij de strijdkrachten, niet enkel uit vaderlandsliefde, maar ook in de hoop erkenning te krijgen voor hun daden. De politieke en juridische beslissingen uit de na-oorlogse jaren waren ingrijpend en kwamen frequenter voor dan in de periode voor de oorlog.

Het besluit van Supreme Court in Brown vs. The Board of Education of Topeka uit 1954 was een sleutelmoment. Separate but equal, het resultaat van de zaak Plessy vs. Ferguson uit 1896 waardoor het gerecht aangaf de segregatie niet racistisch was, was niet langer meer de norm. De gelijkheid die de Civil Rights Act van 1886 beloofde, kon nu echt in werking gesteld worden. Verandering komt niet zonder reden. In dit essay wil ik dan ook ingaan op het waarom van de mentaliteitswijziging bij politiek en gerecht. De invloed van de tweede wereldoorlog was, zoals de bovenstaande uitspraak van Myrdal al aangaf, enorm. “Ondanks het feit dat de strijdmacht gesegregeerd was, moesten zwarte soldaten nu en dan blanke bataljons vervoegen om het groot aantal doden en gewonden te vervangen. Door dit directe contact werden vaak stereotiepe ideeën ontkracht. De blanke generaal Buck Lanham complimenteerde zelfs zwarte strijders die zijn troepen bijstonden: “I have never seen any soldiers who have performed better than you”” (Horton en Horton, 269). Zij aan zij vechtend tegen een gemeenschappelijke vijand bleken raciale verschillen minder belangrijk. Ondanks de verdiensten van zwarte soldaten en de verbeterde verstandhouding tussen blank en zwart op het slagveld kwamen de troepen terug in een samenleving die nog maar weinig veranderd was; daar veranderde ook de beslissing van president Truman uit 1948 om rassenscheiding in het leger te verbieden, waardoor hij impliciet erkende dat de troepen die de overwinning gehaald hadden gelijkwaardig waren, niets aan. Soldaten, blank en zwart, kwamen thuis in een nog steeds sterk verdeeld land. De confrontatie met het nazi-regime had echter veel ogen geopend. De uitroeiing van de joodse bevolking ging veel verder dan wat zwarte slaven te verduren hadden gekregen en dan de veelvuldige lynchpartijen in het Jim Crow-zuiden. Niet enkel de zwarte soldaten werd voorgehouden waar sterk doorgedreven racisme kan eindigen, maar ook de blanke bevolking begon de overeenkomsten tussen de segregatie in eigen land en de holocaust die de joden in Europa achtervolgde in te zien. De nood aan verandering werd duidelijk, iets wat zelfs de grootste voorstanders van segregatie niet langer konden ontkennen. Everett Dicksen, de Republikeinse oppositieleider moest toegeven dat “geen leger sterker is dan het idee waarvan de tijd gekomen is” (Cobbs Hoffman, 340). Amerika leek te beseffen dat het op een scharniermoment in haar geschiedenis stond. Ook de rest van de wereld werd duidelijk dat de Grote Bevrijder Van De Onderdrukten binnen de eigen grenzen minder rekening hield met vrijheid van minderheden. Sinds haar oprichting in 1917 stond het communistisch regime in Rusland lijnrecht tegenover Amerika, waarbij beide landen streden naar het vergroten van hun wereldwijde invloedssfeer. De USSR had hierbij het voordeel dat de Marxistische ideologie waarop hun politieke systeem was gebasseerd, in theorie uitgesproken niet-rasistisch is. “Moskou verweet de Amerikanen dan ook nadrukkelijk hypocrisie en verkreeg een enorm voordeel bij het voeren van propaganda telkens ze verhalen van Amerikaans segregationisme of rassengeweld in de aandacht brachten” (Fredericksen, 130). “Amerika had behoefte aan bondgenoten in de strijd tegen de USSR. Amerikaanse leiders waren overtuigd dat de landen uit de Derde Wereld snakten naar het Ameriaanse economisch model van vrijhandel” (Horton en Horton., 789). Amerika handelde echter niet enkel uit idelogische overwegingen. Veel vrije staten zou betekenen dat er veel vrije handel gevoerd kan worden. Als groot exportland zou dit enkel in het voordeel van Amerika zijn. Een grotere communistische invloedssfeer was dus niet wenselijk. Dit zou immers betekenen dat de afzetmarkt kleiner zou zijn. De commentaar die vanuit de USSR kwam moest dan ook weerlegd worden. Druk van buitenaf, van de USSR, maar ook van andere, zelfs bevriende staten, is dus een grote factor geweest in de bereidwilligheid van de Amerikaanse overheid om de segregatie aan te pakken.

Het verlangen naar erkenning onder de zwarte bevolking was echter niet nieuw, maar onstond zodra het juk van de slavernij afgeworpen was. De acceptatie van zwarte gelijkheid binnen de Amerikaanse maatschappij was al voor de wereldoorlog begonnen en dit voornamelijk op cultureel vlak. Al rond de eeuwwisseling ontwikkelden de schrijvers van Tin Pan Alley, het blanke bastion van de populaire muziek, een interesse in zwarte muziek. Mondjesmaat werden elementen van zwarte muziek opgenomen in het oeuvre dat gebasseerd was op de Europese muziektraditie. Dé hit uit deze tijd was Alexanders Ragtime Band (1911) van Irving Berlin. Ragtime, een voorloper van de Jazz, was de populaire muziekstijl onder Afro-Amerikanen rond de eeuwwisseling en inspireerde Berlin tot het schrijven van zijn hit. “Ondanks dat het nummer niet syncope (het variëren van onverwachte ritmes) met de marstraditie verenigde zoals Scott Joplin, de Afro-Amerikaanse grootmeester van de ragtime, dit kon, was de aanstekelijke, goed geschreven melodie, die pit en energie goed uitbalanceerde, volgens Gilbert Seldes (1924) een buiging voor de negermuziek en werd het nummer zo populair dat Irving Berlin tot vader van de Ragtime benoemd werd” (Garofalo, 23). De fascinatie voor Afro-Amerikaanse muziek bleef bestaan. Tijdens het interbellum kende Jazz haar hoogdagen. Blank Amerika bezocht frequent jazzclubs zoals de Cotton Club, een plek waar zwarte artiesten optraden voor en doorgaans blank publiek (zwarten werd toegang geweigerd) en waar ondanks de drooglegging toch alcohol geschonken werd. Ook op sportief vlak kregen zwarte Amerikanen voet aan de (blanke) grond. Op de Olympische zomerspelen van 1904 kwamen voor het eerst zwarte Amerikanen aan de start. George Page sloeg er onmiddellijk in brons te winnen op de 400 meter horden. In 1908 was de Canadees Tommy Burns de eerste blanke bokser die wilde vechten tegen een Afro-Amerikaan. Burns was meteen de eerste blanke die zijn zwaargewichttitel verloor aan een zwarte bokser, Jack Johnson. De Amerikaanse sport bij uitstek, baseball wist langer te weerstaan aan het talent van zwarte atleten. Pas na de oorlog, in 1947, verbrak Jackie Robinson als lid van de Brooklyn Dodgers als eerste de kleurbarriere van de Major league. Alle bovenstaande Afro-Amerikaanse artietsten en sporters zijn even cruciaal geweest in de moeizame tocht naar gelijkheid als de beslissingen van overheid en justitie. Ondanks de discriminatie en de vaak onmogelijke omstandigheden waarin ze verzeild geraakten, zorgden deze helden van de zwarte bevolking voor een kentering. Ze gaven een groep mensen een gevoel van eigenheid, een reden om trots te zijn, maar ze zorgden ook voor een grotere acceptatie onder de blanke bevolking. Ze zorgden ervoor dat vrouwen als Rosa Parks het lef hadden om de segregatie bij het openbaar vervoer niet meer te accepteren; dat studenten standvastig in diners bleven zitten tot ze bediend werden, dat mannen als Berry Gordy als eerste zwarte ondernemer de blanke muziekindustrie kan doordringen en dat iemand als James Brown “Say it loud, I’m black and I’m proud” durfde roepen. Gelijkheid tussen blank en zwart vereist de durf om eigenheid naar buiten te dragen en dit wordt niet bereikt op politiek of juridisch niveau, maar door mensen die boven zichzelf uitstijgen. Gunnar Myrdal verwoordde wat velen bleken aan te voelen. Verandering kon niet meer uitblijven. De zwarte bevolking van de Verenigde staten bestond niet meer uit slaven, maar uit geboren en getogen Amerikanen, uit hard werkende arbeiders die genoeg verdienden om tot de middenklasse te behoren, uit soldaten die streden voor het vaderland, uit atleten en entertainers die zwart én blank bekoorden. De lokgroep van de echte vrijheid werd voor de zwarte bevolking oorverdovend en de confrontatie met haar eigen hipocrisie kon door blank Amerika niet langer genegeerd worden. In 1965 zong Sam Cooke “I go to the movie and I go downtown. Somebody keep telling me, “Don’t hang around”. It’s been a long, a long time coming, but I know a change is gonna come, oh yes it will”. Voor hem was het duidelijk, maar tegen die tijd was de stroomversnelling al op volle snelheid en dat kon niemand meer ontkennen.


9 juli 2009

The Man In The Mirror: Jackson en rassenidentiteit

Dit essay heb ik geschreven voor de cursus Case Studies Populaire Muziek. Basis van het artikel was - zoals eerder al gezegd -  het boek On Michael Jackson van Margo Jefferson. De schrijfster werpt haar licht op het verleden van Jackson en tracht duidelijkheid te scheppen over zijn gedrag. Jefferson laat zich echter niet verleiden tot het beoordelen/veroordelen van Jacksons daden. Het boek werd geschreven ten tijde van het proces tegen de zanger. De nadruk ligt dan ook sterk op het seksuele aspect; op de redenen waarom Jackson volgens Jefferson zich verwant/aangetrokken voelde tot jonge jongens.
Voor mijn essay heb ik besloten me op een ander aspect te focussen, namelijk Jacksons raciale transformatie, een belangrijk gegeven dat de laatste jaren om wille van het pedofilieproces steeds minder aandacht kreeg. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik bij het inleveren van het stuk mijn twijfels had. Was het niet allemaal wat ver gezocht? Maak ik maar een punt omdat het nu eenmaal moet? Oordeel zelf maar...

De introductie van dit oorspronkelijk 4000 woorden lange essay laat ik gemakkelijkheidshalve weg, net zoals de samenvatting van het boek. Ik raad iedereen dan ook aan On Michael Jackson te lezen. Het is een boekje van amper 140 bladzijden dat mede door Jeffersons prachtige schrijfstijl gemakkelijk wegleest. Omdat het zo'n beknopt boek is, had ik soms het idee had dat er te veel zaken niet vermeld werden, maar door Jeffersons doorgedreven oog voor detail voor de zaken die wel aangehaald worden, legde ik het boek uiteindelijk met een voldaan gevoel weg.

Jackson en identiteit: Don’t matter if you’re black or white

Jefferson benadrukt sterk de vervrouwelijking – of misschien beter gesteld de ontmannelijking – van Jackson omdat dit uiteindelijk het speerpunt vormt van het betoog waarom de zanger zich met jonge jongens verbonden voelt. In wat volgt wil ik verder ingaan op het “ontzwarten” van Michael Jackson. Jefferson kaart ook dit ruimschoots aan, maar enkel als gelijklopend verhaal naast de ontmannelijking. Voor het verhaal van Jefferson is deze verandering ook minder van belang. Het heeft niet dezelfde impact op Jacksons drang om zich te omringen met minderjarige jongens. Minder interessant is het daarom niet.

De transformatie van Michael Jackson vertoont gelijkenissen met de theorieën van Gilroy, Tagg en Negus omtrent zwarte muziek en zwarte identiteit.  In zijn artikel Jewels Brought From Bondage beweert Gilroy dat er niet zoiets bestaat als een uniforme zwarte cultuur. Hij geeft aan dat “sinds zwarte bijzonderheden (zaken die typisch zouden zijn voor zwarte cultuur en dus ook muziek – ed.) sociaal en historisch geconstrueerd zijn en pluraliteit onontkombaar is geworden, is het nastreven van een eenmakende dynamiek of onderliggende structuur  van gevoel in hedendaagse zwarte cultuur volledig misplaatst”.(Bennet, Shank, Toynbee, eds., 180) Deze stelling wordt ondersteund door Keith Negus. In zijn boek Popular Music Studies verwijst Negus naar een artikel van Philip Tagg. “Er kan geen muziek zijn die op één of andere essentiële manier zwart is” (Negus 130), aldus Tagg die ook beweert dat “er geen essentiële karateristieken (Tagg haalt als voorbeeld de zogenaamde “blue notes” aan – ed.) zijn bij zwarte, Europese of Afro-Amerikaanse muziek.” (Negus, 130) Als er geen specifiek zwarte cultuurkenmerken zijn, dan kunnen we dus ook niet spreken van een duidelijke zwarte identiteit. Wat we kennen als zwarte idententiteit is geconstrueerd en algemeen geaccepteerd.

Jackson werd als jonge zwarte artiest opgepikt door Motown Records. Deze zwarte platenmaatschappij bracht met hun “Sound of Young America” dan wel muziek uit die sterk gericht was op de blanke markt; hun platen – steeds van zwarte artiesten, blanke artiesten werden op “blanke zusterlabels uitgebracht -  werden wel als zwarte muziek bestempeld. Dit geldt bijgevolg ook voor de muziek van The Jackson 5 en Michael Jackson. Tagg mag dan wel beweren dat er geen typisch zwarte muzikale karakteristieken zijn; ze worden door de massa wel erkent. Als het werk typisch zwarte kenmerken bevat, kunnen we ook stellen dat, door hun muziek en optredens, Michael en zijn broers hun zwarte identiteit benadrukten.

Als we de covers van Michaels soloplaten bekijken, zien we de zanger zich langzaam maar zeker loskoppelen van zijn zwarte identiteit. Tot en met Forever, Michael – al dan niet toevallig zijn laatste plaat bij Motown -  zien we duidelijk de bruine tint van zijn huid en een groot afrokapsel. Off The Wall, zijn grote doorbraak, vormt een scharnierpunt. Michael mag dan nog wel een donkere huidskleur hebben; de afro is kleiner geworden. Op zijn volgende twee platen, Thriller en Bad, zien we Michaels huid lichter worden, zijn neus versmallen en zijn haar wordt sluiker. “Michaels staat maakte alle ouderwetse metaforen van zwarte zelfhaat verleden tijd,”(Jefferson, 81) zegt Jefferson in haar boek. Wat Jackson in mijn ogen laat zien, gaat verder dan zwarte zelfhaat. Tagg spreekt over zwarte karakteristieken, maar Jackson verandert de fysieke zwarte karakteristieken, niet met de bedoeling blank te zijn, maar rassenloos. “I’m not going to spend my life being a colour” wordt er in Black or White dan ook gerapt. Jacksons ontkennen van zwarte kenmerken impliceert dat hij zijn zwarte identiteit (ten minste van het uiterlijke aspect hiervan) ontkent. “Hij ontkende het eindige van Gods schapping en nam het zelf in handen” (Jefferson, 81). Dit is dus volgens mij niet het gevolg van zwart zelfmedelijden, maar van een doorgedreven ontkenning van verschillen tussen rassen. Dit komt overeen met wat Tagg zegt over zwarte muziek. Kenmerken – in het geval van Tagg muzikaal, maar van Jackson uiterlijk – zijn niet rasgebonden. Als we de kenmerken ontkennen, al dan niet door ze weg te nemen, ontkennen we het concept van ras.

Natuurlijk is een donkere huid meer rasgebonden dan dat “blue notes” vast zitten aan zwarte muziek, maar als je er een kwestie van meer of minder pigment van maakt, is het verschil tussen rassen dan nog steeds zo groot? “It’s not about races, just places, faces, where your blood comes from”, toch Michael? Rest nog de vraag of Jackson met zijn cosmetische chirurgie dan toch niet tracht blank te zijn. Mijn inziens heeft Jackson zijn metamorfose zo ver door gezet dat we bezwaarlijk kunnen spreken van een blanke Michael Jackson. De huid is te blank, de neus te spits. Jacksons kenmerken zijn blank noch zwart, waardoor hij de ultieme artiest geworden is, een zelf gecreëerde tabula rasa, gelijk voor iedereen.

Is Jacksons rassenloosheid dan een vlees geworden antwoord op het probleem waarmee Tagg, Negus en Gilroy geconfronteerd worden? Is het ontkennen van ras een oplossing op de stelling dat er toch geen specifiek rasgebonden cultuur is? Voor Jackson ongetwijfeld wel, maar Negus vindt dat het ontkennen – door het  niet gebruiken – van de term zwarte muziek het probleem niet oplost. We kunnen stellen dat het ontkennen van (zwarte) raciale identiteit geen oplossingen biedt. “We kunnen dit ondewerp niet zomaar mijden,” aldus Negus. “Dit brengt een bijzonder dillema met zich mee omdat zoveel mensen, in het bijzonder zwarte artiesten en luisteraars die gebukt gaan onder de erfenis van het gedefinieerd worden in raciale termen, de term nog gebruiken.” (Negus, 105) Dit wordt duidelijk in een artikel van Greg Tate naar aanleiding van het uitbrengen van Bad. Tate vergelijkt hierin de plaat met haar voorloper Thriller en neemt hier Jacksons gedaanteverwisseling mee als bepalende factor. “Thriller was het antwoord van deze generatie op het gevecht tussen Louis en Schmeling (Joe Louis was de eerste Afro-Amerikaanse bokser die van een blanke won – ed.). Oh, de pyrrhische overwinning van de mensen zonder stem. Wie had kunnen denken dat deze culturele held zou veranderen in een culturele vijand... met behulp van een scalpel.” (Brackett, 342) Tate beschouwt Jacksons metamorfose niet als toonbeeld van anti-racisme, maar als verraad. Over de videoclip van het titelnummer zegt Tate het volgende: “Nadat hij een artificiële blanke is geworden, wilt hij nu van ethniciteit veranderen.We zien Jackson in zijn meest ziekelijke fantasie tot nu toe; hij speelt de rol van een zwart groentje die terugkeert naar de ghetto. Hij toont zich niet enkel als een rolmodel, maar schreeuwt ook “You ain’t nothin’!”. Vertaling: Niggers ain’t shit.” (Brackett, 344). Brackett zegt over het artikel “Tate weegt de verhouding van zwarte identiteit af tegen het proces van acculturalisatie, een aanpak die het gevaar waarschuwt tegen het verwerpen van Motown of Thriller op basis van raciaal verraad. Anderzijds  impliceert een verband tussen esthetische teleursteling over Bad en het aanhoudende fysieke afstoten van zijn raciale erfenis.”(Brackett, 341)

Dit voorbeeld toont aan dat raciaal denken bij veel mensen is ingebakken. Gilroy erkent dat eeuwenlang denken in deze termen moeilijk weg te vagen valt en houdt hier dan ook rekening mee in zijn zoektocht de invloed van zwarte culturele expressie op de identiteit. Er zijn twee theoretische modellen die hier betrekking op hebben: ten eerste het exceptionalisme waarbij er vanuit gegaan wordt dat er een vastliggende raciale zelf is die een bron van identiteit is; ten tweede het constructivisme waarbij men er vanuit gaat dat er geen gedeelde (zwarte) identiteit is en identiteit bij gevolg een constructie van codes en alledaagse handelingen is. Gilroy is het echter met geen van deze theorieën eens. Hij is van mening dat de invloed van zwarte muziek op de identiteit afhankelijk is van de Atlantische diaspora (verspreiding van zwarten over de landen aan de Atlantische Oceaan door de slavernij – ed.) en het idee van de “changing same”. Volgens Gilroy “vallen de roots van de hedendaagse ervaring van zwart zijn terug te traceren naar Afrika en de plotseling brutale verwijdering uit dit gebied door de slavernij. Echter, de culturele vormen die gecreëerd werden kunnen niet enkel verklaard worden aan de hand van de gemeenschappelijke Afrikaanse oorsprong.” (Negus, 106). Gilroy houdt hiermee het midden tussen exceptionalistisch en constructivistisch denken. Een tweede belangrijk aspect is dat van het “changing same”. Gilroy “moedigt aan om (zwarte) cultuur te benaderen als deel van een onregelmatig proces waarbij culturele tradities doorlopend heruitgevonden worden en nieuwe hybride identiteiten worden gecreëerd.” (Negus, 107)

Als we deze theorie ver door drijven, kunnen we stellen dat Jackson een (dé?) hybride identiteit heeft gevormd. Met behulp van plastische chirurgie zijn vele anderen ook al dit pad op gegaan, maar niemand ging zo ver als Jackson. Zijn hybride zelf komt voor uit een zwarte identiteit en als we Tate mogen geloven in zijn oordeel over Bad is zijn muziek ook een hybride vorm van wat ooit typisch zwarte muziek was. De vraag is of we bereid zijn te accepteren dat deze nieuwe identiteit een afgeleide is van wat we kennen, van wat we zijn. Jefferson stelt de vraag ook: “Wat zien we? De man in de spiegel? Of een wezen dat we niet langen willen erkennen?” (Jefferson,138) Jackons identitiet is futurisch, maar is ze daarom ook de toekomst? Dit lijkt onwaarschijnlijk. De creatie van Jackson is niet het gevolg van een natuurlijk verloop. Het is niet het gevolg van een versmelting van culturen en identiteiten. Om zover te komen is Jackson ver moeten gaan, over lijken, over zijn eigen lichaam. Het is onwaarschijnlijk dat rassenloosheid en sekseloosheid zoals het door Jackson voorgeschoteld wordt op natuurlijke manier bereikt wordt en ondanks alle platische chirurgie lijkt het er op dat mensen voorlopig ook niet zo ver willen gaan als Michael Jackson. Zien we de man in de spiegel? Ik betwijfel het.

6 juli 2009

One Nation Under One Groove (Slot)

Zo... het is een tijd stil geweest aan het front om wille van schoolwerk, maar ook wegens een welverdiende vakantie naar New York en Boston. Ik zat in New York toen Michael Jackson stierf en ben een paar dagen later langs The Apollo gereden. Best indrukwekkend... Toeval wil dat ik net een reviewessay geschreven heb over het boek On Michael Jackson van New York Times journaliste Margo Jefferson. Gezien de recente ontwikkelingen, zet ik dit essay zo snel mogelijk nog online.

Ik ben jullie het slot van mijn paper over Funk als protestmuziek nog schuldig. Hieronder vind je het laatste hoofdstuk en de conclusie. Afsluiten doe ik gepast met een funkplaylist. Mijn liefde voor het genre is sinds het schrijven van dit essay enorm gegroeid. In de toekomst wil ik ook nog mijn licht werpen op de funky soundtracks van Blaxploitatioin films.

Who You Funkin’ With?

Tot halfweg de twintigste eeuw leefden blank en zwart gescheiden. Gelder verwijst naar Becker die beweert dat “their (jazzmusici – ed) social difference and their sense of social ‘isolation’ was not imposed on them by others, ..., it was instead a matter of choice and disposition. They practised what Becker therefore described as ‘self-segregation’” (Gelder, 107). Alhoewel dit misschien wel op gaat voor blanke muzikanten die niet in hetzelfde sociale isolement zaten als zwarte musici, gaat dit voor Afro-Amerikanen niet op. Zowel de clubs waarin gespeeld werd als de platenmaatschappijen die de muziek op de markt brachten waren in handen van blanke zakenlui. Voor zwarte bluesartiesten was het al niet veel anders. “The idea of making recordings by and for blacks hadn't occured to anyone in a position to do anything about it when the so-called blues craze hit around 1914-15.
W.C. Handy's (invloedrijk zwart bluesmuzikant - ed.) 'blues' and the blues of other popular tunesmiths, black and white, were recorded by whites, may of them specialists in Negro dialect material.”(Garofalo, 40). Het duurde nog tot 1920 voor dat Bessie Smith door ziekte van een blanke zangeres als eerste zwarte zelf een blues opnam. Haar Crazy Blues werd een hit, vooral onder Afro-Amerikanen. De door blanken gerunde muziekindustrie zag het potentiëel van de nieuwe markt en hapte toe. Afro-Amerikanen werden dus een onderdeel van de industrie. Natuurlijk was dit hun eigen keuze en waren ze vrij niet op aanbiedingen in te gaan, maar de term zelf-segregatie is niet helemaal gepast.

In een tijd met weinig werk en nog minder toekomstperspectief, was voor zwarten meedraaien in de blanke molen van de muziekindustrie een uitweg. Het was
the lesser of two evils. De keuze die deze artiesten maakten kwam overeen met het principe van zelf-hulp dat Booker T. Washington op het einde van de negentiende eeuw al propagandeerde. Washington redeneerde dat “black’s best hopes for assimilation lay in at least temporarily accommodating to whites. Rahter than fighting for political rights, Washington counseled African Americans to work hard, acquire property, and prove they were worthy of respect.” (Norton et al, 580) Dit lijkt dan ook op wat zwarte artiesten in het begin van de twintigste eeuw deden. Ze conformeerden met de blanke muziekindustrie om op deze manier een inkomen en waardering te krijgen.

Hierin ligt een belangrijk verschil met funk. Zwarte muziek heeft altijd zwarte identiteit benadrukt, “…, from the first slave songs, to the latest street-corner raps, the mission has been the same: to tell it like it is.” (Vincent 20), maar medio jaren zestig lagen de kaarten echter anders dan voordien. Afro-Amerikanen hadden meer rechten gekregen, waren verder doorgedrongen in het beroepsleven en door de oprichting van Motown, was ook de muziekindustrie was niet langer exclusief in handen van blanken. In hun strijd voor meer gelijkheid, was de zwate bevolking ook mondiger geworden, een verandering die ook in muziek waar te nemen viel. Berry Gordy, die er jarenlang op gebrand was zijn artiesten weg te houden van politiede thema’s, ging uiteindelijk voor de bijl en bracht nummers als
War van Edwin Starr en Ball of Confusion van The Temptations uit.

De na-oorlogse periode had een nieuw tijdperk ingeluid, niet alleen voor de verhoudingen in de wereld, maar ook voor zwarten in Amerika. Niet langer was de zelf-hulpgedachte van Booker T. Washington de oplossing. De ideeën van W.E.B. Du Bois werden gevolgd. Deze tegenstander van Washington vond dat “blacks must agitate for what was rightfully theirs.” (Norton e.a., 581). Soul werd meer geëngageerd, zoals in het nummer A Change is Gonna Come van Sam Cooke en de What’s Going On LP van Marvin Gaye, maar funk was wel heel expliciet in haar boodschap. De teksten van I Don't Want Nobody To Give Me Nothing (Open Up the Door, I'll Get It Myself) (James Brown) of Move On Up (Curtis Mayfield) spreken boekdelen. Gelder haalt in deze context Gilroy aan. Deze laatste vraagt zich af “what it is about black America’s writing elite which means that they need to claim this diasporic cultural form in such an assertively nationalist way”. (Gelder, 117) Alhoewel Gilroy zich deze vraag stelt met betrekking tot hip hop, valt dezelfde vraag ook over funk te stellen. Wat maakte dat zwarte artiesten veel directer werden in hun boodschap? Waarom kon James Brown wel “We’ld rather die than be living on knees. “Say it loud. I’m black and I’m proud” (James Brown, 1969) zingen en kon iemand als Louis Jordan dat in de jaren veertig niet?

In het geval van de Afro-Amerikaanse zangers en zangeressen van de jaren zestig en zeventig was het duidelijk, het pad was geëffend door mensen die niet de keuze hadden om bij de pakken te blijven zitten. Artiesten zongen wat al was gezegd of gedaan door mensen die niet langer
wilden wachten tot hun situatie verbeterde bij de gratie van de blanke man. Vermindert dit dan het belang van de artiest en het nummer? Is funk om deze reden minder subversief of is het geen protestmuziek? Neen, dat is het niet. Gezien de volgorde
van de historische gebeurtenissen – vijftien jaar voor dat Curtis Mayfield “Take nothing less - not even second best. And do not obey - you must have your say. You can past the test” (Curtis Mayfield, 1970) zong, had Rosa Parks de daad al bij het woord gevoegd – kunnen we gerust stellen dat funk een gevolg is van de Civil Rights Movement en geen oorzaak. Desalnietemin is het belang van funk groot. Muziek geeft een beweging een gezicht; de NAACP wist dat James Brown het lidmaatschap voor het leven geven ook hen ten goede zou komen. Muziek is ook dé manier om een boodschap over te brengen. Niet voor niets maakt muziek al eeuwen deel uit van (godsdienstige) rituelen en gebruiken politici nog steeds muziek in hun campagne. Funk was de soundtrack van de beweging voor gelijke rechten. Het gaf de zwarte bevolking voortrekkers, mensen om naar op te kijken en zich mee te identificeren. Funkartiesten zongen letterlijk wat de zwarte bevolking dacht. De teksten werden niet gecodeerd. Blank en zwart konden er niet om heen en hadden de uitgesproken menig van de artiesten te nemen of te laten. Dit gevoel van eigenwaarde versterkte de zwarte identiteit. Funk was verantwoorlijk voor het verspreiden van de boodschap.

Frith zegt “what I want to suggest, …, is not that social groups agree on values which are then expressed in their cultural activities but that they only get to know themselves as groups through cultural activity, through aesthetic judgement.” (Frith, 111). In de context van de verhouding tussen de Civil Rights Movement en funk ben ik het hier echter niet mee eens in die zin dat de groep, Afro-Amerikanen dus, al bestond en een identiteit had ontwikkelt voor er sprake was van funk. Het groepsgevoel en –identiteit werden dus niet gevormd door funk, maar wel versterkt. Het belang van muziek in deze relatie wordt door Frith goed duidelijk gemaakt aan de hand van Gilroy. “..., by posing the world as it is against the world as the racially subordinated would like it to be, this musical culture supplies a great deal of the courage required to go on living in the present.”(Frith, 118) Gilroy zegt dat het gevoel dat leefde binnen de gemeenschap door artiesten verwoord werd, waardoor het in staat was substantieel te groeien. Funk was het platform voor de onvrede waarin het ideaal kon bloeien, maar het zaad hiervoor was al aanwezig in de Civil Rights Movement.

Conclusie
Funk was Afro-Amerikaanse muziek tot in de puntjes. Het was de juiste muziek in de juiste tijd. Het was gevormd door de tijd. Hard, ruw, uiterst expliciet. Funk weerspiegelde de geest van zwart Amerika. De vraag rijst dan ook of funk slechts een facet van zwarte subcultuur of onvervalste protestmuziek is. Natuurlijk kunnen we niet tegenspreken dat funk voortvloeit uit de Afro-Amerikaanse muziekgeschiedenis en hier ook zeer uitgesproken elementen van vertoont. Funk maakt zeker deel uit van de zwarte subcultuur. Dit is echter niet wat funk bijzonder maakt. Funk zorgde binnen de Afro-Amerikaanse muziek voor een kentering door de zwarte identiteit meer dan ooit tevoren te benadrukken. Dat is de essentie van funk. Jazz, blues, soul,... het waren vaak parellele werelden van mainstream blank Amerika met de occasionele overstap, goedgekeurd door de heersende (blanke) klasse. Door haar boodschap onverbloemd te verkondigen, ging funk de directe confrontatie aan, net zoals zwarten op straat dat ook deden. Als genre was funk tijdsgebonden, maar net zoals er voor de hoogdagen van de funk funky muziek was, was dat nadien ook nog zo. Belangrijker is echter de vraag of het protest samen met de funk en de Civil Rights Movement verdween. Dit is niet het geval gebleken. Zowel muzikaal als tekstueel gaf funk de toorts door aan hip hop. De strijd was voor een groot deel gestreden, maar volledige gelijkheid was er nog steeds niet. Hip hop werd de nieuwe funk. Harder, ruwer, uiterst expliciet. De beat veranderde, maar de boodschap niet.


Get a playlist! Standalone player Get Ringtones